Als een kind (gezond) wordt geboren dan liggen alle menselijke mogelijkheden in principe klaar om, stap voor stap, in gebruik genomen te worden. Ontelbare koppelingen zullen er gemaakt moeten worden om alle delen van het lichaam en de zintuigen samen te laten werken.

Hoe beter alles in het lichaam op elkaar af is gestemd en hoe beter het kind leert om te begrijpen wat er in zijn omgeving gebeurt, hoe beter het zelfstandig zal kunnen leren en functioneren. Juist die autonomie in het kunnen leren en functioneren vinden wij in het onderwijs erg belangrijk.

Natuurlijk spelen de talenten die je meegekregen hebt en die bij jou horen een grote rol. Maar ook de mate waarin je de kans krijgt om die talenten tot ontwikkeling te brengen is enorm bepalend. Niet altijd en in alle gevallen want uitzonderingen op de regel zijn er altijd. Maar voor de meeste kinderen geldt dat wat niet in gebruik genomen kan worden maar heel moeilijk tot ontwikkeling kan komen.

De relatie tussen spelen, zelf actief zijn en gezondheid heeft grote aandacht. Vooral in het kader van de grote toename van Obesitas bij kinderen. In mijn E-Bulletins leg ik echter grote nadruk op de relatie tussen spelen, zelf actief (mogen/kunnen) zijn en het goed kunnen functioneren als mens dus ook op school. School is immers slechts een onderdeel van je menselijke functioneren.

Kinderen met een onvoldoende goed ontwikkelde motoriek hebben veel meer kans om op school minder goed te functioneren. In het speciaal onderwijs is deze relatie al lang bekend. In ons wetenschappelijk onderzoek, dat we met de Radboud Universiteit in 2007-2008 hebben gedaan, is gebleken dat er ook bij kinderen van een doorsnee basisschool een relatie te zien is. Ik kom daar nog op terug.

In het wetenschappelijk onderzoek dat de Radboud Universiteit t.a.v. onze leergang Beter Leren Door Spelen heeft gedaan, is o.a. bij de nulmeting naar voren gekomen dat de 70 kinderen van onze onderzoeksgroep, aan het einde van groep 1, motorisch slechts matig ontwikkeld waren. Dat is natuurlijk gemiddeld gezien. Dat wil zeggen dat er gelukkig kinderen waren die beter ontwikkeld waren dan “matig” maar, triest genoeg, zeker ook kinderen die “matig” niet eens haalden. Dat is zeer verontrustend en dat zou een belangrijk reden moeten zijn om hier met z’n allen wat aan te doen. Belangrijk om te vermelden is dat onze onderzoeksschool in een nieuwbouwwijk ligt met veel koopwoningen dus zeker niet in een z.g. achterstandswijk.

Een minder goed ontwikkelde motoriek is dus vooral ook een signaal dat kinderen onvoldoende zelf actief geweest zijn. Niet genoeg (kunnen) spelen en zelf actief kunnen zijn, zorgt er in heel veel gevallen zeker ook voor dat kinderen andere vaardigheden, die voor het leren enorm belangrijk zijn, ook niet goed kunnen ontwikkelen. Met spelen bedoel ik dan “echt” spelen en niet met behulp van allerlei “digitaal vermaak”.

Kinderen die motorisch en visueel onvoldoende goed ontwikkeld zijn, hebben dus een flinke kans dat ook hun zelfgenererend leervermogen zich niet goed heeft kunnen ontwikkelen. Het zelfgenererend leervermogen is het vermogen om een leerproces van binnen uit, dus zonder hulp van buitenaf, in gang te zetten en op gang te houden.
Vooral de ontwikkeling van het zelfgenererend leervermogen en de belemmeringen die er in onze huidige samenleving voor worden opgeworpen, blijkt voor veel mensen een eye-opener te zijn. Hoe bewuster we ons van die belemmeringen worden, hoe beter we in staat zullen zijn om kinderen te stimuleren ZICHZELF beter te ontwikkelen. Daardoor zullen ze op ALLE terreinen van hun leven goed kunnen functioneren en een zelfstandig denkend en handelend mens kunnen worden.

Hartelijke groeten,

Thea Looijmans

Bron www.zolerenkinderenleren.nl